De Nederlandse Zorg Site

‘Knuffelspray’ dempt ontwikkeling PTSS-klachten

Nieuws » Behandelmethode 2 maart 2017

Een pufje neusspray met oxytocine – in de volksmond het knuffelhormoon genoemd – dempt de ontwikkeling van posttraumatische stressklachten. Dat blijkt uit het promotieonderzoek van Jessie Frijling.

Er is nog geen behandeling die posttraumatische stressstoornis (PTSS) voorkomt. Frijling onderzocht of een neusspray met daarin het hormoon oxytocine kan helpen. Deze stoornis ontwikkelt zich na een traumatische ervaring, bijvoorbeeld een verkeersongeval of een geweldsincident. Het is een psychiatrische aandoening waar ongeveer 10 procent van de traumaslachtoffers mee te maken krijgt en heeft een enorme impact op je dagelijks leven.

Knuffelhormoon oxytocine

Oxytocine is een hormoon dat bekend is van de bevalling en borstvoeding. Het draagt bij aan de hechting tussen moeder en kind, vandaar de naam ‘knuffelhormoon’. Oxytocine kan ook angst en stress verminderen.

Spoedeisende Hulp

De onderzoekers dienden het hormoon toe via een neusspray bij patiënten die bij de Spoedeisende Hulp waren geweest en een trauma hadden meegemaakt dat zowel fysieke als psychische impact kon hebben. Binnen twaalf dagen na het trauma kregen de deelnemers de neusspray, die zij een week lang elke dag moesten gebruiken.

Een deel van de deelnemers kreeg een placebo. Onderzoekers en deelnemers wisten niet wie de ‘echte’ neusspray kregen en wie de placebo. De effecten van oxytocine op angstreacties in de hersenen werden gemeten met een MRI-scan. Ook keken de onderzoekers of patiënten tot zes maanden na het trauma nog PTSS-klachten hadden.

Goede resultaten

Bij mensen die in de eerste dagen na het trauma al duidelijk PTSS-klachten hadden, bleek dat de toediening van de neusspray met oxytocine tot een half jaar lang minder klachten gaf. Het zorgde voor een afname van bijna 50 procent. Dit betekent dat oxytocine in de toekomst gebruikt zou kunnen worden als vroege behandeling tegen PTSS.

Jessie Frijling promoveert 3 maart 2017 op haar onderzoek.

Bron: Gezondheidsnet.nl

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                              

Nieuws

Nieuwsarchief Tip de redactie